Sezanne - Baudement : 25 km
Deze etappe werd gesteund door nonkel Toon Fieuws, de jongste broer van vader Jean Fieuws.
Bij ons vader Jean waren er 9 kinderen. Van die 9 zijn de 2 kranige jongsten nog in leven. Ons tante Bep blijft in de fleur van haar leven en nonkel Toon is vandaag 85 jaar geworden. Nonkel mag fier terugkijken op 3x de Camino per fiets afgelegd te hebben na zijn inpensioenstelling. Ik laat hem hier graag aan het woord.

In de lente van 2001 fietste Toon vanuit Broechem naar het verre Galicië.
Het was in elk geval vóór 1979 dat ik het plan opvatte om ooit – als ik er voldoende tijd voor zou hebben – op tocht te gaan naar Compostela. Dit aanvankelijk helemaal niet vastomlijnde project, noch degelijk voorbereide tocht, kreeg stilaan gestalte via lectuur en interessante info van het Vlaams Genootschap van Santiago de Compostela.
Op een zonnige zondagmorgen in mei 2001 werd ik uitgewuifd door Ria, door mijn kinderen en kleinkinderen. Naast mijn 12 kg bagage was er nog zo veel meer dat ik mee-droeg, zo veel meer dat ik niet kon loslaten: de liefde en de ervaren steun en bemoediging van het “thuisfront” voor mijn project.
Mijn Compostelatocht was een tocht in een tocht, was een onderweg-zijn, dag na dag, soms verrassend, soms herkenbaar en banaal, maar toch telkens ánders. Stilaan raakte ik niet enkel mijn tijdsbesef kwijt (welke dag is het vandaag, de hoeveelste?), stilaan ook mijn benul van “de boze buitenwereld”: ik benoemde me tot een zichzelf verplaatsend iemand, een fietsend eiland op weg naar…
Wat is de zin van het willen onderweg zijn, van overal te willen zijn, behalve waar je nu bent, vroeg ik me af. Misschien, omdat “settelen” in de betekenis van “af zijn” geen venster of perspektief biedt op toe-komst. Als dat zo is, laat ons dan maar nog jáááren onderweg zijn (hoeft niet alléén).
Tussen haakjes: ik bedenk dat je als pelgrim nooit ver-weg kunt zijn indien je familie en vrienden voortdurend op de hoogte moet en wil houden van elke beweging (dit ter overweging).
Het was een hoogst deugddoende Compostelatocht. Alles leek gewoonweg “goed”: ik, de einzelgänger ondervond geleidelijk aan een krachtig gevoelen van verbondenheid met het hic et nunc (de natuur en diegenen die ik onderweg ontmoette) én met het verleden via de kultuur die beelden opriep van duizenden pelgrims vóór mij. Dat was, bedenk ik, mijn religieuze ervaring.
----------------------
Woensdag 13 juni 2001 in Villadiego, een godvergeten dorp, 30 km ten westen van Burgos.
Ik zit hier pal in het centrum (centrum ??) van een troppel huisjes op de dorpel van een bonkige kerk midden de weeë geuren van een geiten- of is het van een schapenstal. Links voor mij, het klaterend geluid van de dorpsfontein, twee koperen spuwers waaruit het water neergutst in een granieten bekken. Een vrouw komt haar aarden kruikje vullen, een man lest er zijn dorst gebruik makend van een ordinaire plastieken fles.
De zon staat hoog, de schaduwlijnen zijn scherp afgetekend. Twee boerinnen (wát boert men hier in godsnaam?) wensen me een smakelijk “que aproveche”. Beneden, aan de voet van het steile klimmetje naar de kerk, zit een vrouw in volle zon op de vensterbank van haar huis, kennelijk aan het borduren of verstellen. Ze wordt weggeroepen door een vrouw die, zwaaiend met een bos bloemen, de kerk binnenstapt. Er is duidelijk wat te doen.
Naast de kerk zijn er vrouwen – bezige bijen – druk in de weer met het plukken van bloemen en groen. Ik vermoed dat men de kerk aan het versieren is “¿Hay la fiesta?” vraag ik, “Si señor, hoy cerebramos San Antonio”. Er volgt van mij een enthousiast “me llamo Antonio”, waarop de ene vrouw, lijkt me positief verrast, iets antwoordt dat ik echter niet begrijp.
Die vrouwen met hun kleurrijke sjaaltjes en dito lange rokken, doen me denken aan Maria Magdalena en haar ijverige zus Martha. Maar, geen van hen die mijn voeten wast, noch zalft, noch afdroogt met lange haren (triviale gedachten van een pelgrim).
Ik ruim op en stop alles in de fietszakken. Wanneer het twee uur slaat op de kerktoren vliegen twee duiven verschrikt op uit de galmgaten. Ik vraag me af hoeveel duiven als het vijf uur slaat… en als het twaalf uur is? Voor ik vertrek ga ik een kijkje nemen in de kerk en word er meegetroond naar het mooi versierd draagstel voor mijn paroonheilige die vanavond processiegewijs wordt rondgedragen in het dorp. Gemeend prijs ik de mooie versiering en na een “que Santiago le proteja” neem ik afscheid.
